De gelaagdheid van de mens

9.1.25

Momenteel lees (of eigenlijk: luister) ik naar een boek van Arnon Grunberg, ‘De vluchteling, de grenswacht en de rijke jood’ waarin Grunberg naar Georgië afreist en met gevluchte Russen spreekt, naar Oekraïne waar hij vluchtelingen ontmoet die ervoor hebben gekozen in eigen land te blijven, naar Polen, waar hij een detentiecentrum bezoekt, en ons eigen Ter Apel. In het boek zet de schrijven her en der het COA tegen de IND af. In het geheel – zijnde de “vluchtelingenproblematiek” – lijkt hij op zoek te zijn naar een menselijke maat. Zonder dat het er erg bovenop ligt, wordt gaandeweg duidelijk dat vluchten, gelukszoeken, landverhuizen of hoe je het ook wil noemen, altijd al heeft bestaan en zolang de mens bestaat ook zal blijven bestaan.

Ik ben halverwege het boek en weet daarom nog niet precies wat ik ervan vind, maar wat nu al waardevol is is dat Grunberg een helder inkijkje geeft in de werking van de asielprocedure hier in Nederland, en hoewel sommige van de asielzoekers die de revue passeren anoniem wensen te blijven, krijgen ze dankzij Grunberg toch een gezicht. We horen hun verhalen – details zijn soms weggelaten – en komen erachter waarom sommige mensen terug naar land van herkomst worden gestuurd.

Bij het lezen struikel ik over de wijze waarop asielzoekers een gezicht krijgen – letterlijk, de wijze waarop ze worden gefotografeerd –. Grunberg schrijft over een fotograaf van NRC Handelsblad die, op het moment dat boeren bij Ter Apel met man, macht en tractoren en aanhangwagens protesteren tegen het stikstofbeleid en “ludiek” asiel komen aanvragen omdat ze zich niet meer thuis voelen in hun land, sommige asielzoekers van heel dichtbij fotografeert. Een COA-medewerker moet de fotograaf sommeren afstand te bewaren, aangezien veel van de asielzoekers getraumatiseerd zijn en uit oorlogsgebieden komen.

Grunberg schrijft:

“‘Ik werk voor NRC,’ roept de fotograaf. ‘Ik kom hier godvergeten vaak. Denk je dat het voor mij een pretje is hier te zijn? Ik laat me zo niet behandelen.’ […] Het publiceren van foto’s waarop vluchtelingen herkenbaar staan kan enorme gevolgen hebben voor de vluchtelingen zelf en voor de familieleden in het land van herkomst.”

In een paar zinnen vat de auteur hier naar mijn idee wat er mis is met de wijze waarop we in Nederland met asielzoekers en vluchtelingen omgaan. Het ego – denk je dat het voor mij een pretje is? – staat voorop. De dikke ik, zo je wil. Het egocentrisme waarbij op geen enkele manier rekening wordt gehouden met de ander, tot op mogelijk het funeste af. Die dikke ik is bereid om van dichtbij foto’s te maken van asielzoekers, zelfs als dat hen in gevaar kan brengen. Je zou kunnen inbrengen dat de fotograaf zich daar misschien niet bewust van is (al betwijfel ik dat aangezien deze persoon kennelijk heel vaak naar Ter Apel afreist), maar als dat het geval is dan is de achteloosheid misschien nog wel erger.

De journalistiek voelt soms aan als een absoluut beroep. Een vreemde soort dwang om alle verhalen altijd te moeten vertellen, ongeacht de mogelijke gevolgen, kan zich van journalisten – ook fotojournalisten – meester maken. Toen ik mijn eerste stappen in de journalistiek zette, voelde ik dat ook zo. Een werkdruk die coûte que coûte prestatie eist, met als gevolg eindeloze stereotyperingen van groepen mensen, en een eenzijdig beeld van wat het nou eigenlijk is om te vluchten, asiel te zoeken of te landverhuizen.

Ik kijk uit naar de rest van het boek en het onderzoek naar de gelaagdheid van de mens.

Copyright foto: Martijn Klungel

Vorige
Vorige

L’enfer, c'est les hommes

Volgende
Volgende

All right