De Boze Vrouw

‘Meisje, kijk niet zo boos.’ Het moet rond mijn dertiende zijn geweest toen ik het voor het eerst op straat te horen kreeg. Sindsdien is mijn gemoedstoestand geregeld door voorbijgangers – mannen – onder de loep genomen, uitgeplozen en bekritiseerd. Het enige dat ik ervoor hoef te doen is niet lachen. Inmiddels zijn er ook andere variaties op, waaronder ‘kijk niet zo lelijk’ en ‘kijk niet zo serieus’. Het enige dat ik daarvoor hoef te doen is na te denken. Zo heb ik in de supermarkt menig reactie uitgelokt door mijn ik-geloof-dat-de-halfvolle-melk-in-de-koelkast-bijna-op-is blik. Of ik alsjeblieft wat vriendelijker naar het melkschap wil kijken? Het is maar goed dat ik van tampons ben overgestapt op een herbruikbare organicup.

Vrouwen in de publieke ruimte horen kennelijk immer te lachen of vriendelijk en toegankelijk te kijken. Het doet me afvragen waarom mannen (ja, ja, #notallmen) toch zo ongemakkelijk worden van de vrouwelijke emotie of gemoedstoestand. En stel je toch eens voor wat er zou gebeuren als ik écht kwaad zou zijn.

‘Woede wordt bij witte mannen vaak gezien als rechtvaardig en patriottisch maar bij zwarte mannen als crimineel, en bij zwarte vrouwen als bedreiging,’ schrijft Soraya Chemaly in haar boek Rage becomes her. Ze benadrukt bovendien dat woede bij vrouwen in de westerse wereld op grote schaal wordt geassocieerd met ‘gekte’. Een kwade vrouw is dus krankjorum, een boze man sterk. Rebecca Traister, auteur van Good and Mad, trekt in haar boek eenzelfde conclusie. Volgens Traister zijn witte mannen altijd de norm geweest van het intellectuele ideaal. Wanneer zij boos zijn dan hebben ze daar een goede reden voor, is het idee. Wanneer vrouwen boos zijn wordt dat volgens haar gezien als onstabiel en emotioneel, ongeacht de validiteit van die woede.

Bij het lezen van de boeken moest ik denken aan dr. Christine Blasey Ford, de vrouw die ten overstaan van de wereld in de Amerikaanse senaat moest getuigen over de vermeende aanranding door inmiddels geïnaugureerde opperrechter Brett Kavanaugh. Ze deed dat sterk en eloquent, helder en beheerst met hier en daar een grapje. Ze had alle recht om boos te zijn, bijvoorbeeld vanwege de bedreigingen aan haar adres, maar ze besloot dat niet te uiten. In tegenstelling tot Kavanaugh zelf die in een soort maniakale woede uitbarstte.

De boeken van Chemaly en Traister verschenen beiden vorig jaar in wat door een aantal journalistieke media bestempeld is als het Jaar van de Boze Vrouw. Het was het jaar waarin vrouwen wereldwijd zich uitspraken over het onrecht waar ze mee te maken hebben. Van de #MeToo-discussie tot de duizenden vrouwen die terug naar Ierland vlogen om te kunnen stemmen vóór het recht op abortus – ook wel bekend als #HomeToVote –. Van de massaprotesten in Polen tegen het verbod op abortus tot het grotere aantal vrouwelijke Congresleden dat in de Verenigde Staten is verkozen. De Boze Vrouw roerde zich overal.

Toch is het beeld dat ik van deze revolutionaire vrouwen heb, net als bij dr. Ford, niet dat van pislinke, vuurspuwende feeksen. Wat dat betreft is het zelfs opmerkelijk dat ze als woedend worden ervaren – of geframed, het is maar hoe je ernaar kijkt – terwijl het veelal eloquente vrouwen zijn, die hun woede wegglimlachen en weldoordacht te werk gaan. Ze hebben hun woede leren kanaliseren om de wereld in beweging te kunnen brengen. In de geest van de feministische schrijfster Audre Lorde. Zij schreef eens:

“Elke vrouw heeft een goed gevuld arsenaal aan woede dat gebruikt kan worden tegen de persoonlijke en institutionele onderdrukking, die de woede tot stand heeft gebracht. Wanneer met precisie gebruikt, kan het een krachtige bron van energie worden ten behoeve van vooruitgang en verandering.”

Ook hier vraag ik me af: stel je toch eens voor wat er zou gebeuren als ze écht kwaad zouden worden.