Van Rotterdam naar Rabat

Marokko, het land van mijn ouders, kende ik lange tijd eigenlijk alleen van de jaarlijkse zomervakanties. Het cliché geldt ook voor ons gezin. Bepakt en bezakt in een grote oranje Mercedes Benz-bus, met een koelkast bovenop het dak, tuften we iedere zomervakantie van Rotterdam naar Rabat. Zes weken lang verruilden we ons huis op Rotterdam-Zuid voor ons huis in Rabat, maar verder dan het strand van het nabijgelegen Temara kwamen we niet. We bezochten plage sable d’or zelfs zo vaak, dat de maîtres-nageurs – Frans voor strandwachters – onze beste vrienden werden. Jaar in, jaar uit rolden wij op exact dezelfde plek onze rieten strandmatjes uit, om bij hetzelfde restaurant voor de lunch een bocadillo met koude patat en cola te bestellen.

We hadden de tijd van ons leven, maar naarmate ik ouder werd besefte ik dat ik het land van mijn ouders eigenlijk niet kende. Ik spreek de taal weliswaar, kan een flink woordje Arabisch lezen en schrijven, maar had afgezien van de tankstations tussen Tanger – waar je aanmeert met de pont vanuit Spanje – en Rabat, nooit een ander deel van Marokko gezien.

De honger om de veelzijdigheid van Marokko te ontdekken werd nog eens extra aangewakkerd toen ik als veertienjarige met onze Marokkaanse buren mee mocht naar Marrakesh. Voor het eerst zag ik een ander deel van Marokko. Het Jemaa El-Fna-plein maakte ontzettend veel indruk op me: de slangenbezweerders, de tandartsen, de henna tatoeëerders, de buikdansers en –danseressen. Het was zo betoverend dat ik me niet kon voorstellen dat ook dit Marokko was. Jaren later, op mijn eenentwintigste, kreeg ik pas de mogelijkheid om Marrakesh nog eens te bezoeken. Wat bleek: toegenomen toerisme of niet, Marrakesh is zijn magische sfeer niet verloren. Sindsdien heb ik alle uithoeken van Marokko bezocht: van het puntje in het noorden, tot het diepe zuiden. Waar je ook komt, je wordt overspoeld door gastvrijheid.

Yves Saint Laurent-museum
Wie Jardin Majorelle zegt, zegt daarmee ook Yves Saint Laurent. De ontwerper en zijn geliefde (en zakenpartner), Pierre Bergé, raakten opslag verliefd op de tuin toen zij deze in 1966 bezochten. Sindsdien is de populariteit van de door schilder Jacques Majorelle ontworpen tuin alleen maar toegenomen: jaarlijks trekt de tuin meer dan 700.000 bezoekers. Yves Saint Laurent zou zijn leven hebben ingedeeld in een tijd vóórdat hij de tuin “ontdekte” en een periode daarna: een donkere of zwarte periode versus een kleurrijke periode. Bergé en Saint Laurent waren zelfs zo verliefd op de kobaltblauwe tuin dat ze uiteindelijk een woning grenzend aan de Jardin Majorelle kochten, Villa Oasis.

Yves Saint Laurents liefde voor Marrakesh was grenzeloos. Na zijn overlijden en het succes van een YSL-expositie in het Berbermuseum, was het niet meer dan logisch dat Marrakesh zijn eigen Yves Saint Laurent-museum zou krijgen. Dankzij Pierre Bergé staat er nu naast de Jardin Majorelle een indrukwekkend terracotta gebouw, ontworpen door Studio KO Architects. Het museum biedt aan meer dan 1000 meesterwerken van Saint Laurent onderdak. Wie de collectie in retrospectief bekijkt, met Saint Laurents liefde voor Marrakesh in gedachte, herkent 1966 – het jaar dat hij Marrakesh voor het eerst bezocht – inderdaad als keerpunt in zijn werk. Bergé heeft het museum nog wel kunnen bezoeken, maar overleed een maand voordat het openging.

Toubkal

Marrakesh is een fantastische stad, maar het kan ook enorm verstikkend zijn. De hitte, de uitlaatgassen, de straatverkopers die continu om je aandacht vragen, de 1001 eettentjes, vijfmaal daags de gebedsoproep van de muezzins: je wordt overspoeld door zoveel indrukken waar je – zelfs in de romantische ryads in de binnenstad – niet aan kunt ontkomen. Voor wie even aan de drukte van de stad wil ontsnappen, lonken de bergen van de hoge Atlas dan ook op de achtergrond, met de Toubkal als letterlijk hoogtepunt. Het “beklimmen” van de Toubkal, de hoogste berg van het Atlasgebergte, is een echte aanrader. Beklimmen tussen aanhalingstekens, want hoewel een relatief goede conditie wel een vereiste is, is de Toubkal met zijn 4.167 meter bij lange na geen Mount Everest. Ter vergelijking: die is 8.848 meter hoog.

Een tour naar de top van de Toubkal boek je bij één van de vele klimorganisaties. Dat kan uiteraard vanuit Nederland, maar eenmaal in Marrakesh kun je beter over de prijs onderhandelen. De tocht duurt in totaal 2 dagen: 1,5 dag om de top te bereiken en een halve dag om weer beneden te komen.

De tocht omhoog begint ’s ochtends vroeg wanneer je vanuit Marrakesh met een taxi naar het dorp Imlil rijdt, aan de voet van de Toubkal. Het ligt aan het seizoen, maar wie in de maanden april of mei de berg wil beklimmen heeft geen speciale klimschoenen nodig. Al raad ik iedereen aan om niet, zoals ik deed, schattige instappers te dragen, maar degelijke sport- of wandelschoenen. Het is misschien niet helemaal à la mode, maar die instappers hebben de reis terug naar Nederland niet meer meegemaakt en dat is zonde.

Met in je tas een waterfles, je camera, een lampje voor op je hoofd, zonnebrandcrème en een tandenborstel, kun je de tocht al maken. De eerste dag is vooral een flinke wandeling. Je baant je een weg door de opgedroogde rivierbedding, waarna je de berg op loopt. Tegen lunchtijd bereik je een klein provisorisch ingericht lunchtentje waar je wordt verwelkomd met een stomende tajine. Kieskeurig kun je niet zijn, je eet wat de pot schaft, maar gelukkig is de Marokkaanse pot altijd smakelijk. Na de lunch heb je nog even tijd om vanaf je plastic tuinstoel, al sippend aan je mierzoete Marokkaanse thee, te genieten van het uitzicht over het Atlasgebergte, voordat je je een weg baant naar de berghut voor de overnachting.

Zoals gezegd: met minimale bepakking kun je de berg al beklimmen, mits je ervoor kiest om in de refuge te overnachten. Je moet er wel tegen kunnen om met meer dan twintig mensen – overwegend mannen, ik was de enige vrouw – in aan elkaar geschakelde stapelbedden op één kamer te slapen. Achteraf gezien had ik liever een eigen tentje en slaapzak meegenomen en deze in de tuin van de berghut opgezet. Je kunt het jezelf zo zwaar maken als je zelf wil: je kunt de tent op je rug dragen, of een pakezel inhuren die je bagage naar de herberg brengt.

Na het avondeten – Marokkaans brood, ietwat flauwe maar zeer welkome bonensoep en tajine –  is het tijd om naar bed te gaan: om vijf uur ’s ochtends moet je immers alweer fris en fruitig klaarstaan om de rest van de tocht te maken. Met een klimlampje op je hoofd, in het pikkedonker, onder een betoverende sterrenhemel, klauteren om voor zonsopgang de top te bereiken en beloond te worden met het meest fenomenale uitzicht dat je ooit hebt gezien.

Surfen in Essaouira
Als je wel zin hebt in een ietwat sportieve uitdaging, maar niet gelijk een berg wil beklimmen, kun je vanuit Marrakesh ook naar het dorpje Essaouira reizen. Het vissersdorpje staat ook wel bekend als ‘the windy city’. Net als Marrakesh is het populair bij acteurs, ontwerpers en andere creatieven. Zo heeft de gerenommeerde trend forecaster Lidewij Edelkoort er bijvoorbeeld een huis. Komende vanuit de drukke stad stap je in Essaouira een wereld binnen waar alles draait om relaxen, het tempo is er aanzienlijk langzamer. Op het strand worden (kite-) surflessen aangeboden en kun je paardrijden, in het dorp eet je tajines met verse sardines. Als oer-Hollander ben ik eerder een haringfan, maar voor de sardines uit Essaouira maak ik graag een uitzondering. Het vissersdorpje is een letterlijke verademing, maar meer dan surfen, strandhangen en enorm lekker eten kun je er niet doen.

Onderweg van Marrakesh naar het vissersdorpje moet je niet gek opkijken wanneer je geiten in bomen ziet. Je hallucineert niet: ze zitten er echt. De geiten klimmen in de arganboom om er noten uit te kunnen eten. Nadat de noten door hun spijsverteringsysteem zijn gegaan, worden ze door de lokale bewoners geraapt en gekraakt. De Arganolie die vervolgens uit de noten wordt geperst is zeer waardevol.

De afgelopen jaren is de vraag naar arganolie wereldwijd toegenomen. Voor voedingsdoeleinden – de olie is dankzij zijn notensmaak niet alleen erg lekker, maar dankzij de hoge concentratie onverzadigde vetzuren ook erg gezond – maar ook cosmetisch. Meng één druppel arganolie in je dagelijkse gezichtscrème en je ervaart direct het hydraterende verschil. Om te voorkomen dat grote bedrijven stukken land zouden opkopen om de bomen – die alleen in het zuidwesten van Marokko groeit en reeds met uitsterven bedreigd was – uit te buiten, richtte dr. Zoubida Charrouf coöperatieven op om de lokale vrouwen, de notenkrakers en -persers, van werk en inkomen te voorzien en zo hele families te emanciperen. Charrouf wordt internationaal geroemd en wordt ook wel de moeder van de Arganolie genoemd. Dankzij haar hebben talloze vrouwen een goed inkomen en kunnen zij hun kinderen naar school sturen. Bij alle coöperatieven kun je zo naar binnenlopen om uitleg te krijgen over de verschillende stadia van de persing, om amlou – een amandel, honing, argandip – te proeven, of flessen cosmetische arganolie in te slaan.

Volubilis
Het Romeinse Rijk was ooit zo groot dat het zich uitstrekte tot in Marokko. Je verwacht het misschien niet, maar hier en daar zijn de restanten ervan nog zichtbaar. Nabij Rabat bevindt zich bijvoorbeeld Chella (Sala), een nederzetting gebouwd door Feniciërs en Carthagers. Het gebied werd in 44 na Christus geannexeerd en aan het Romeinse Rijk toegevoegd. In de eeuwen hierop kreeg Marokko te maken met een reeks dynastieën, waaronder de Merinidiën, die enorm hun stempel drukten op Chella. Desondanks blijven de Romeinse invloeden zichtbaar. Als kind was ik al gefascineerd door hoe die twee werelden – die meer dan een eeuw uit elkaar lagen – met elkaar vervlochten raakten.

Op anderhalf uur rijden van Fez bevindt zich nog zo’n waanzinnig Romeinse stad: Volubilis, ook wel Walili in het Marokkaans. Volubilis is naar verluidt gebouwd op de restanten van een stad van de Carthagers uit de 3e eeuw voor Christus. Het zal je niet altijd aangeraden worden om in het ietwat saaie dorpje Moulay Idriss, op steenworp afstand van Volubilis, te verblijven – zeker niet wanneer je beseft dat het prachtige Fez in de buurt ligt – maar ik doe het toch. Omdat we nog wat tijd over hadden in ons reisschema, verbleven we twee nachten in het dorpje, waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan.

Moulay Idriss is genoemd naar de grondlegger van Marokko, Idriss de eerste. Jaarlijks komen duizenden pelgrims in de maanden augustus en september naar het dorpje toe. Wie de financiële middelen niet heeft om de bedevaart naar Mekka te maken – één van de pijlers van de islam – maakt zeven bezoeken aan Moulay Idriss. De tombe van Idriss bevindt zich eveneens in het dorpje, maar deze is alleen toegankelijk voor moslims.

Bij aankomst in Moulay Idriss werden onze koffers uit de auto overgeheveld naar een muilezel, die onze spullen naar de hoger gelegen ryad moest overbrengen. Na een korte wandeltocht keken we zo vanaf het plateau van het dorp uit over de omgeving en konden we Volubilis al zien liggen.

Volubilis heeft naar verluidt de best bewaarde ruïnes van Noord-Afrika. Als er in de achttiende eeuw niet zoveel gesloopt zou zijn – veel stenen zijn gebruikt om de paleizen van sultan Moulay Ismaïl in Meknes te bouwen – dan zou Volubilis mogelijk de best bewaarde Romeinse stad ter wereld zijn geweest. Maar helaas, nu huizen vooral ooievaars op de eeuwenoude zuilen. Het maakt de ruïnes er overigens niet minder indrukwekkend op: te midden van het vruchtbare land met graanvelden en olijfboomgaarden ontwaart de Romeinse stad, haast uit het niets, met haar prachtige mozaïekvloeren en triomfbogen.

Chefchaouen
Wie verliefd wordt op het blauw van Jardin Majorelle, of de lieflijke wit-blauwe woningen in het joodse deel van de Kasbah van Rabat, móet naar Chefchaouen. De vraag is eigenlijk niet óf je erheen moet, maar eerder wanneer.

Chefchaouen (ook wel: Chaouen) staat vooral bekend om de waanzinnig fotogenieke binnenstad, met kobaltblauwe woningen en azuurblauwe trappen. De stad werd in 1471 als klein fort opgetrokken door Moulay Ali Ibn Rashid. Het verhaal gaat dat de woningen blauw geverfd zijn omdat joden, op de vlucht voor Hitler, zich er vestigden. De kleur blauw zou voor joden belangrijk zijn omdat het hen herinnert aan de lucht en aan de hemel en hen zo aanspoort een spiritueel leven te leiden. Volgens weer een andere theorie is de stad blauwgeverfd omdat de kleur muggen zou weren.

Hoe het ook zij: Chaouen is een gigantisch toeristische trekpleister. Hoe kan het ook anders, als je zó mooi bent? Wil je niet onder de voeten gelopen worden door toeristen, verkopers en proppers, bezoek Chefchaouen dan in het laagseizoen.

Chefchaouen, gelegen in het rifgebergte, stond overigens lange tijd bekend als dé plek waar toeristen hun kif konden scoren. Wie er zelf met de auto heenrijdt wordt tot op de dag van vandaag gewaarschuwd voor kif-verkopers, die je door met groot licht te signalen soms wat dwingend van de weg zouden kunnen rijden.

En zo zijn er nog talloze plekken in Marokko die de moeite waard zijn om te bezoeken. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om te verdwalen in Fez, met zijn talloze steegjes, of breng een bezoek aan Merzouga en trek van daaruit de woestijn in. Waan je in Ifrane in de Alpen (en ga er in het ski-seizoen skiën, echt waar!). Vergeet alleen niet je portemonnee mee te nemen, want het er is nogal aan de prijzige kant. Weer aan de andere kant van Marokko bevindt zich Agadir, de stad die zich de afgelopen jaren meer en meer als ultieme vakantieoord ontpopt voor families en gezinnen. Of Zagora, ook wel bekend als de toegangspoort tot de Sahara.

Dit artikel verscheen eerder in Vogue