14353232487_668122ed79_k

De ongemakkelijke waarheid over homohaat

Laten we het eindelijk eens hebben over die regenbooggekleurde olifant in de kamer

Ik zal er geen doekjes om winden: homoseksualiteit is binnen veel moslimgezinnen een taboeonderwerp. Als het al ter sprake komt, is de intrinsieke reactie een weinig verheffende ‘ieuw’. Homo’s zijn namelijk vies. Alles wat in de verste verte ook maar íets met homoseksualiteit te maken zou kunnen hebben, dient vermeden te worden. Een te strakke broek, een glad kapsel, een oorbel in het “verkeerde” oorlel? Ieuw, ieuw, ieuw!

cc-foto: Lukas Vlok
cc-foto: Lukas Vlok

Bij ons thuis werd zelfs het woord ‘homo’ zoveel mogelijk omzeild, maar naarmate ik ouder werd – en steeds meer vrienden uit de LHBTQ-community kreeg – werd dat steeds lastiger. We moesten het toch een keer hebben over die grote regenbooggekleurde olifant in de kamer? En zo geschiedde.

Dinsdag sprak ik mijn moeder over de aanslag in Orlando. Ze had op het nieuws gehoord dat er een aanslag was gepleegd, maar wist de aanval niet te duiden. “Die mensen zijn toch gewoon aan het feesten? Wat hebben ze hem misdaan?” vroeg ze over de dader. “Het was een homobar”, antwoordde ik, alsof daarmee alles meteen verklaard zou zijn. Maar ze begreep het niet. “Die mensen zijn gewoon zo geboren, als Allah tegen homoseksualiteit zou zijn, had hij ze wel hetero gemaakt”, reageerde ze. “En wat kun je er trouwens op tegen hebben wanneer mensen van elkaar houden?”

Even wilde ik haar voorhouden dat een aantal jaar geleden ook zij haar gezicht afwende wanneer ze een homostel op straat zag kussen, of afkeurend haar hoofd schudde als ze twee mannen hand in hand zag lopen. Dat het echt wel even heeft geduurd voordat zij tot het inzicht kwam dat liefde gewoon liefde is, ongeacht de gender van de personen in kwestie. Dat het altijd een moeilijk onderwerp was om aan te snijden thuis. Maar ik zei het niet. Ik glunderde namelijk van trots en tevredenheid. “Kijk mijn moslimmoeder eens homoseksualiteit níet afkeuren!”

En toen las ik het artikel van Bilal Qureshi in The New York Times en kreeg ik toch een beetje spijt.

Homoseksualiteit niet afkeuren is namelijk niet genoeg. Het erover hebben na zo’n vreselijke aanslag, is te laat. De hand mag best eens in eigen boezem gestoken worden, we mogen onszelf nu wel eens een spiegel voorhouden: in de veilige omgeving van het gezin is homoseksualiteit bespreekbaar, maar zou ik uit de kast durven komen als ik lesbisch zou blijken te zijn? Tegenover mijn ouders, mijn vrienden, mijn broers en zussen? Ik denk van niet. En dat baart me toch wel zorgen. Homoseksualiteit is wat dat betreft nog steeds een abstract idee, iets dat een ander kan ‘overkomen’ en zolang het een ander ‘overkomt’, is het geen probleem. Dat gaat bovendien niet alleen op voor mijn Marokkaans-Nederlandse omgeving, maar ook voor het leeuwendeel van mijn Nederlandse kring.

Zo had een – wit – ex-vriendje van mij een grote vriendenkring van stoere, bodybuildende mannen. Van één van hen vermoedde ik al langer dat hij homoseksueel was, maar het was niet aan mij om hem uit de kast te trekken. Wel drong ik er bij mijn ex op aan dat hij zijn homofobe taal moest indammen – en daar voegde ik meer dan eens aan toe dat hij óók zijn ideeën over homoseksualiteit eens onder de loep moest nemen. Uiteindelijk kwam de jongen in kwestie tegen de hele groep uit de kast, behalve tegenover mijn ex. Die kreeg ruim een jaar later een uitgebreide emotionele mail waarin de jongen hem vertelde over zijn geaardheid en de hoop uitsprak dat hij de vriendschap niet zou verbreken. Mijn ex belde mij op met de mededeling: “Ze nemen me in de zeik.” Je kunt je voorstellen dat ik flink tegen hem ben uitgevallen. Gelukkig is het met die vriendschap uiteindelijk helemaal goed gekomen, al had het nogal wat voeten in de aarde voordat het besef bij hem doordrong dat er he-le-maal niets mis is met homoseksualiteit.

De enige manier om het taboe rondom homoseksualiteit, dat helaas tot op de dag van vandaag nog steeds heerst, eindelijk eens kunnen doorbreken is door erover te praten. Hoe ongemakkelijk het ook is en hoe vermoeiend of frustrerend het soms ook kan zijn. We moeten genadeloos zijn. Wie lacherig doet over de voetballer Ronaldo, omdat hij vanwege zijn zogenaamde ‘onmannelijke’ uiterlijk op een homo zou lijken (want dur, iedereen weet dat homo’s geen mannen zijn), dan moeten we daar wat van zeggen. Als iemand uitgescholden wordt voor nicht, dan moet je er iets van zeggen. Als iemand het woord ‘homo’ als scheldwoord gebruikt, je voelt hem al aankomen: dan moet je er iets van zeggen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *