akennasdrin

Mag een Marokkaan ietsje meer zijn?

Daar zitten ze dan, twee welbespraakte, positieve en gedreven jongemannen, aan tafel bij Jeroen Pauw. De één, filmmaker Abdelkarim El-Fassi, omdat hij een prachtige en inspirerende documentaire heeft gemaakt over zijn Marokkaanse vader met daaromheen een avondvullend programma, met onder meer Spoken Word, muziek en theater. De ander, acteur en Gouden Kalf-winnaar Nasrdin Dchar, omdat hij in dat programma een stuk uit zijn monoloog “Oumi” (mijn moeder) speelt. Een voorstelling die door heel het land te zien is, en keer op keer tot op de laatste stoel uitverkocht is. Meer dan 600.000 mensen hebben afgestemd op NPO 1, nu kunnen de jongemannen het hebben over wat hen drijft en wat er zo belangrijk is aan ‘identiteit’, de kern van de voorstelling. Aan tafel bij freaking Jeroen Pauw! De twee glunderen van trots.

“Maar ho, wacht even. Over identiteit gesproken; de twee zijn ook Marokkaan en moslim. Als we het nu eerst over hun voorstelling hebben, misschien kunnen we het, nu ze er toch zitten, dan ook nog even over de terreurorganisatie IS hebben en de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb – óók Marokkaan en moslim – die alle moslims oproept afstand te nemen van IS?” Je hoort het een redacteur denken wanneer je de uitzending bekijkt.

El-Fassi en Dchar hebben een prachtige voorstelling gemaakt, maar de opbouw van het gesprek maandagavond leidde uiteindelijk naar het hoofdonderwerp, dat niets te maken heeft met het theaterprogamma. Niet voor niets werd het item aangekondigd als “Marokkanen in identiteitscrisis”. De filmmaker en acteur hebben een inspirerend verhaal dat nog geen seconde over een crisis gaat, maar juist op positieve wijze uitlegt wie zij zijn, waar ze vandaan komen en hoe zij – met hun prachtige culturele achtergrond – deel uitmaken van Nederland anno 2014. Maar zodra je ‘Marokkanen’ aan tafel hebt, dan moet er een negatief randje aan toegevoegd worden. Dan willen we weten hoe zij tegen terreurorganisatie IS aankijken, al hebben ze er net zo weinig mee gemeen als iedere andere willekeurige Zeeuw of Steenbergenaar.

Waar komt die drang toch vandaan om iedere Marokkaan, iedere moslim, aan te spreken op andermans gruweldaden? Wat is het toch met die verdomd kleverige labels die, haast hardnekkiger dan pleepapier, aan je schoen blijven plakken en maar niet af te schudden zijn? Met andermans stront eraan, bovendien. Met de eis – nee, de dwang – om afstand te nemen komt automatisch ook de implicatie dat wie dat weigert, voorstander is van terreur. Alsof énig weldenkend mens ook maar een nanoseconde sympathie zou kunnen voelen voor de beesten in Syrië en Irak, of elders in de wereld. Dat spreekt voor zich, zou je denken. Maar voor moslims of Marokkanen lijken de dwangdenkers, de moet-roepers een uitzondering te hebben. Die móeten afstand nemen.

Pauw leek zelf ook moeite te hebben met het onderwerp, maar sneed het toch aan. Je ziet zijn gevoel voor eigenwaarde wegzakken op het moment dat hij benadrukt dat het eigenlijk van de zotte is dat ze dergelijke vragen voorgeschoteld krijgen; we vragen immers ook niet van iedere blanke om afstand te nemen van bijvoorbeeld Breivik, zegt Pauw zelf. Maar ook hij moet er aan geloven, want ook van hem wordt verwacht dat hij erover begint. De dwangdenkers en de moet-roepers eisen het. Als je als moslim geen afstand neemt van IS, dan ben je verdacht, maar als je er als journalist niet naar vraagt, ook.

“Doe niet zo moeilijk, wat heb je te verliezen?”, vragen de moet-roepers dwingend. Als je inderdaad, zoals ieder weldenkend mens, de terreurdaden afkeurt, dan kun je dat toch ook gewoon zeggen? Behalve dat het jou niet als mens maar als moslim wordt gevraagd, vanuit een verdachtmaking en de implicatie dat zolang je dat niet doet, je het met de hoofdenafhakkers eens bent.

Dat we dit van moslims vragen is nog tot daar aan toe, maar dat ook journalisten zich gedwongen zien zulke stupide en irrelevante onderwerpen aan te snijden, terwijl er veel interessantere zaken zijn waarover gesproken en geschreven kan worden, toont toch wel het failliet van de journalistiek aan. Journalisten zijn er niet om toe te geven aan onderbuikgevoelens, het is niet de taak van een journalist om de obsessie en de verdachtmaking van eenieder die ruikt naar moskee (en geloof me, moskeeën kun je ruiken, ze hebben een specifieke musk-achtige geur) te voeden of te faciliteren. Het is onze taak als journalist om juist die prachtige verhalen te vertellen die de scheefgetrokken beeldvorming weer recht kunnen trekken. Verhalen zoals die van Abdelkarim El-Fassi en Nasrdin Dchar.

One comment

  1. Beste Hasna,
    Je vraagt je af of een Marokkaan ietsje meer mag zijn? Ik moest even nadenken over die vraag, want er zit iets hebberigs in. Waar het de meer dan prominente aanwezigheid van Marokkanen in de media betreft, lijkt mij iets minder juist meer dan genoeg.
    Ik heb de uitzending van Pauw ook bekeken. Wat bij mij is blijven hangen zijn twee heren die nadrukkelijk aangeven formeel Nederlander te zijn, maar zich vooral een lastiggevallen, verongelijkte en trotse, artistieke Marokkaan voelen. Zo’n spagaat schept een kloof. En die kloof werd goed zichtbaar toen Arjan Erkel aan tafel kwam en vertelde over zijn gijzelingsdrama. De non-verbale communicatie van de heren Nasrdin Dchar en Abdelkarim El-Fassi die inmiddels vanuit het publiek toekeken, sprak boekdelen.
    Terugkomend op je vraag of een Marokkaan ietsje meer mag zijn?
    Ik denk dat het antwoord van je vraag besloten ligt in je eigen eerste alinea. Want als je probeert iets dat kleeft af te schudden, kom je van een koude kermis thuis. Tenzij je in sprookjes gelooft natuurlijk!
    En wil je echt van die stront af? Dan moet je dus niet schudden maar pulken. Pulken in de eigen mest. Net als veel Westerse vrijvechters dat ooit deden. Misschien dat ik dan die musk-achtige lucht weleens wil ruiken!

    groet, azuri

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *