dood2

Hoe bij mij de duivel werd uitgedreven

dood2Toen ik in 2008 na mijn stage uit Parijs terugkwam naar Nederland, herkenden mijn ouders me nauwelijks terug. Ik was amper een half jaar weggeweest, maar had al mijn haar – op een halve centimeter na – eraf gehaald. Ook was ik tien kilo zwaarder,  waarvan met zekerheid is te zeggen dat een groot deel in mijn wallen is gaan zitten. Ik was compleet gesloopt, had weken aaneen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bij een modehuis achter de naaimachine gezeten. Het was nog net geen sweatshop, maar het scheelde weinig. En na die lange werkuren werd nog langer gefeest. Wanneer de Parijse clubs en bars hun deuren sloten, was er altijd nog wel ergens een keuken, een hal, een tuin of een kelder waar we terecht konden.

Bij terugkomst lag ik een week uitgeput op bed. Maanden achtereen op volle stoom doordenderen was me niet in koude kleren gaan zitten. De daaropvolgende week werd ik ongesteld, wat destijds steevast resulteerde in extreem hormonale jankbuien waar de meest heftige regenbui  nog een puntje aan kan zuigen. Dat hoopje ongeluk moet er in mijn moeders ogen vreselijk hebben uitgezien. Zo vreselijk dat ze ervan overtuigd was dat er iets goed mis was met me. Ik moest wel bezeten zijn. Hetzij door de duivel, hetzij door kwade geesten. Haar dochter was haar dochter ineens niet meer. Of ik was aan de drugs.

Nu zijn er talloze rituelen en gebruiken waar ik niet zoveel mee kan. Zwarte Magie, het Kwade Oog, geesten; mijn nuchtere Hollandse karakter krijgt het er warm noch koud van. Jomanda-achtige praktijken; ik vind het aanstelleritis van de hoogste plank. Mijn ma was echter zo bezorgd en overtuigd van haar eigen gelijk, dat ik na weken aandringen van haar kant, toegaf en instemde met een uitdrijving. Ik had toch niets te verliezen. Bovendien, zo beloofde ze: na de uitdrijving zou zij erover ophouden.

Zo gezegd, zo gedaan. Een kennis van de familie meldde zich bij ons thuis. Op zijn aansporen voltooide ik de rituele wassing, die doorgaans voorafgaat aan het bidden, de zogenoemde wudu. Ik knoopte een hoofddoek om mijn brakke kop en ging languit op de sofa liggen. Mijn moeder zat aan mijn voeteneinde, mijn vader aan het hoofd en de man die mij moest bevrijden van alle kwelgeesten zat naast me op de grond. Met een hand op mijn hoofd reciteerde hij verzen, ik vermoed uit de Koran, maar het had net zo goed abracadabera in het Kantonees kunnen zijn. Wie zal het zeggen. Mijn moeders ogen leken bijna uit haar oogkassen te springen, zo gespannen keek ze me aan. Mijn vader was een beetje afgeleid, want er was voetbal op tv. Op aandringen van de duiveluitdrijver had hij het geluid van de tv uitgezet.

‘Doe je ogen dicht’, siste mijn moeder lichtelijk wanhopig toen er na vijf minuten nog geen teken van verlichting was. Ik gehoorzaamde braaf, maar realiseerde me ook dat ik hier nog uren zou kunnen liggen. Ik had ingestemd met een uitdrijving, ervan uitgaande dat wanneer er niets zou gebeuren, mijn ma zou beseffen dat ik niet bezeten ben, maar moe, koppig en op zijn tijd een hormonaal monster. Terwijl de man overtuigd doorging met het reciteren van de verzen, raakte ik in paniek en werd ik een beetje boos. Eigenlijk wilde ik hard uitroepen ‘waar zijn jullie in godsnaam mee bezig?’ en dat ze me met rust moesten laten, maar ik wist dondersgoed dat een dergelijke uitspatting zou resulteren in een ‘zie je wel’ van mijn moeder. Voor haar zou het een teken zijn dat die kwade geesten zich afzetten tegen uitdrijving. Een redenatie van likmevestje, maar hoe wijs je een drogredenaar, die heilig gelooft in de logica van de drogreden, terecht?

En dus besloot ik de uitdrijving te faken. Dan was ik er tenminste vanaf. Maar hoe doe je dat? Een uitdrijving faken? Met de bekende scène uit The Exorcist in het achterhoofd dacht ik in termen van hysterie. Ik zou kunnen schreeuwen en janken en gekke beestachtige geluiden kunnen maken, maar ik ben geen goede actrice. Als het me al zou lukken mijn schaterlachen in te houden, dan nog zou de actie volkomen doorzichtig zijn. Een andere optie was doen alsof ik niet bezeten was door een kwaadaardige, maar door een goedaardige djinn. Immers: ik mag dan soms monstrueus zijn, maar ben altijd nog een lief monster.

Ik stak mijn rechterwijsvinger op, fluisterde de sjahada, de islamitische geloofsbelijdenis, en herhaalde de spreuk totdat de duiveluitdrijver stopte met zijn recitatie. Langzaam opende ik mijn ogen en ging ik weer overeind zitten. Ik liet mijn hoofd hangen en moest spontaan huilen. Niet omdat de geest mijn lichaam nu had verlaten, zoals mijn moeder heilig gelooft, maar omdat ik toch wel verdrietig werd van het sneu staaltje acteerwerk dat op dat moment mijn moeder hoop moest geven dat het met haar dochter wel goed zou komen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *